studioglas
Het studioglas oftewel glas gemaakt in de studio van een glasmaker als een autonoom object is ontstaan in Amerika. Tot het eind van de jaren vijftig vorige eeuw werden autonome glazen objecten voornamelijk door de kunstenaar ontworpen maar uitgevoerd door de glasblazers. Ook was glas nog niet een heel populair materiaal om autonoom in te werken.
Andries Copier was een van de eerste in Nederland die eind jaren twintig begon met het maken van vrijer en autonoom werk maar nog wel altijd in herkenbare (vaas) vormen.
De Amerikaan Harvey K. Littleton, van oorsprong docent keramische vormgeving, ging in 1957 op reis naar Venetië om daar de technieken van het glas maken te bestuderen. Terug in Amerika bleef hij gefascineerd door het materiaal en de wens om zelf te experimenteren met het materiaal op locatie. In 1962 ontmoette Littleton tijdens een glassymposium Dominique Labino, hoofd onderzoeker van een glasfabriek gespecialiseerd in glasvezel. Labino hielp Littleton met het maken van een kleine smeltoven, branders en een koeloven. Vanaf dat moment kon Littelon zijn eigen glas maken in een autonome en vrije vorm. In plaats van dat de kunstenaars ontwierpen en de glasblazers het werkt uitvoerden kon de kunstenaar nu zelf experimenteren, het materiaal voelen en zijn eigen ontwerp uitvoeren. Dit was een enorme openbaring en vergrote de creativiteit enorm. Marvin Lipofsky en Samuel J. Herman waren een van de eerste studenten van Littleton en begonnen ook met vrij glas te werken.
In 1964 demonstreerde Littleton tijdens het internationale congres van de World Crafts Council in New York, buiten het congresgebouw met zijn mobiele gasoventje het maken van vrij glas. Glasontwerpers uit de hele wereld zagen zijn demonstraties en waren razend enthousiast, velen hanteerden zelfs voor het eerst in hun leven een blaaspijp. Het was op deze plek waar zowel Willem Heesen als
Sybren Valkema, Littleton ontmoetten en geïnspireerd raakten door deze manier van werken.