Ieder object van glas heeft zijn eigen kwetsbaarheden, die het gevolg zijn van zijn maakprocessen en zijn specifieke bewaar- en gebruiksgeschiedenis. De stabiliteit van glas is gerelateerd aan zaken als de samenstelling, dikte, oppervlakte-morfologie, interne of ingebrachte spanning en inhomogeniteiten (inclusies) in het glas. Maar ook omgevingsfactoren in het leven van het object (vochtigheid, temperatuur, druk, tijdsduur, concentratie en samenstelling) spelen een rol. Veel onderzoek wordt hiernaar verricht, zeker in de hedendaagse glastechnologie, maar de geschiedenis en eigenschappen van individuele historische glasobjecten zijn dusdanig complex dat het in kaart brengen van kwetsbaarheden en degradatieprocessen bijzonder uitdagend is. In sommige gevallen wordt getracht fysieke eigenschappen in kaart te brengen en degradatieprocessen te simuleren in replica glas. In algemene zin kan hier veel kennis uit worden verkregen. Er blijft altijd een discrepantie met de werkelijkheid van individuele historische objecten.
Enkele veel voorkomende algemene kwetsbaarheden van glas worden hier genoemd, maar voor voorbeelden van objectgerelateerde problematiek verwijzen we naar de
objecten.
Dunwandigheid, interne spanningen, luchtbellen,
slieren of inclusies als gevolg van het maakproces kunnen een glas kwetsbaar maken. Dit betekent dat een glasobject bij stoten of plotselinge grote temperatuurschommelingen makkelijker kan barsten of breken.
Het is iedereen bekend dat glas gevoelig is voor krassen, barsten of breken. In ieder glas zit spanning die bij impact kan ontsnappen, met barsten of breuken tot gevolg. Maar ook de aanwezigheid van luchtbellen, onzuiverheden of niet versmolten materialen in het glas kunnen de gevoeligheid voor breuk vergroten. Een belangrijk onderdeel van het glasmaakproces is de afkoeling. Als dat niet zorgvuldig gebeurt, kan dat ook voor extra spanning in het glas zorgen (zie ook
Het bestuderen van spanning in glas) De gevoeligheid voor krassen kan te maken hebben met de samenstelling van het glas. Zo is loodglas ‘zachter’ dan borosilicaatglas, en dus gevoeliger voor krassen.
Glas kan dunwandig zijn of kwetsbare uitstekende delen hebben, maar ook juist heel dik en zwaar zijn. Glas kan heel glad en glanzend zijn, maar ook heel ruw en mat. Al deze aspecten brengen ieder hun eigen kwetsbaarheid met zich mee.
De belangrijkste en wellicht meest opvallende kwetsbaarheid van ieder glas is de gevoeligheid voor vocht. Elk glasobject neemt in zijn leven water op in zijn oppervlaktelaag. Afhankelijk van het type glas, de fysio-chemische structuur van de oppervlaktelaag en de zuurgraad van de oplossing waarmee het in contact komt kunnen er fysio-chemische degradatieprocessen plaatsvinden. Chemisch instabiel glas kan dof worden, er kunnen zich druppels of kristallen op het glasoppervlak vormen, er kunnen micro-barsten ontstaan of het glas kan structureel desintegreren. (
zie atmosferische degradatie).
Bij glas uit archeologische context spelen bodemomstandigheden een grote rol in het degradatieproces. Een bekende vorm van degradatie is het iriserende effect. Als gevolg van delaminatie van het glasoppervlak wordt de lichtbreking dusdanig beïnvloedt dat een regenboog aan kleuren op het oppervlak ontstaat. Op Romeins glas wordt dit effect soms dusdanig gewaardeerd, dat er voorbeelden bekend zijn waarbij in latere tijd iriserende glaslaagjes met lijm op een object zijn aangebracht. (zie masterscriptie van
Yong, A.,
Investigating Tampering in a Roman Glass Pastiche through LA-ICP-MS elemental profile comparison, UvA, June 2025).
Glas is tevens gevoelig voor stof en verontreinigingen uit de lucht of omgeving, afkomstig van gebruik, bewaren of hanteren. Ook UV-licht kan in bepaalde omstandigheden op diverse manieren voor verkleuring van het glas zorgen; het glas kan gelig of rozig verkleuren. (
zie ook solarisatie)